Dit artikel is eerder verschenen in de Spin- en Verfkrant een kwartaal blad over het verven van vezels stoffen en garens met industriële en natuurlijke verfstoffen; over het spinnen, weven, breien en vilten van deze vezels en inspirerende projecten en experimenten. www.spin-verfkrant.nl

Vilten hoe zit dat nou

door Harm Harms

Vilten is een fascinerend proces. Het is al zo oud als de wereld en met minimale middelen te doen. Als je het eenmaal hebt gedaan en het lukt een beetje dan ben je er aan verslingerd en ga je door. Je kunt met de vilttechniek vele kanten op: van het maken van poppen tot schilderijen en vloerkleden of fragiele modeaccessoires en sieraden. Het uitgangspunt is en blijft wol, water, zeep en beweging. Met deze drie componenten in steeds wisselende samenstelling wordt het viltproces tot stand gebracht.
Het proces vergelijk ik vaak met een spelletje dat we als kinderen deden. Je stopte een aar van rogge of gerst of een andere halm met lange baardharen in je mouw tussen je kleren en je jas. Na een poosje wandelen kruipt de aar door het bewegen naar boven en kun je hem bij je schouder weer uit de jas halen en weer in je mouw stoppen. We stopten de aar ook wel bij een ander op de rug onder in de jas. De aar kroop dan ongemerkt naar boven tot hij in de nek kwam en begon te kriebelen. Daar zaten we dan op te wachten en hadden dikke pret als er steeds naar de nek werd gegrepen zonder de aar te ontdekken.
De aar verplaatst zich door de beweging en kan door de baardharen maar één kant op. Een zelfde proces speelt zich af bij het vilten van wol. De schubjes op de wolhaar staan allemaal één kant op en daarom kan de wolhaar ook maar één kant op bewegen. De schubjes haken achter andere schubjes en vezels waardoor de wolhaar wordt belet om terug te schuiven. Dit proces is per wolsoort en per wolkwaliteit verschillend maar de beweging speelt een cruciale rol in het viltproces.
Dikke wol en de dekharen in de wol laten zich niet gemakkelijk in een vilt verwerken. Dikke wol heeft haren die dikker zijn dan 25/1000 mm. We spreken dan van prikwol. Wol die gaat kriebelen en jeuken. Er kunnen haren tussen zitten die 100/1000 mm of nog dikker zijn. Hoe dikker de wolharen zijn des te meer veerkracht ze hebben. Deze veerkracht van wol is zowel mee- als tegenwerkend bij het vilten. Het werkt mee omdat het zorgt voor een tegenbeweging als we de wol masseren bij het vilten. Aan de andere kant werkt het tegen want de wolhaartjes blijven niet dicht bij elkaar zodat de schubjes in elkaar haken en bij de volgende beweging verder opschuiven. De veerkracht trekt de hakende schubjes zelfs los. Deze tegenwerkende kracht moeten we overwinnen. Door het gebruik van water en zeep kunnen we het ondervangen. Bij dunne wol gaat het gemakkelijker dan bij grove wol. Met als gevolg dat die wol meer kracht van de vilter vraagt. Een tweede actie om de veerkracht te elimineren is het samendrukken van de wol door deze stijf op te rollen. De wol zit nu dicht op elkaar en kan niet meer uitdijen. De rol wordt heen en weer gerold waardoor er beweging in het laagje wol ontstaat door het verschil van binnen- en buitenbocht in de rol. Het verschil is het grootst in het hart van de rol waardoor het viltproces daar het snelst gaat. Je kunt het vilt in een rietmat of in bobbeltjes plastic/ noppenfolie rollen. Door het onregelmatige oppervlak van deze materialen ontstaat ook onregelmatige druk op de wol en dus beweging. Hoe dunner de wol is des te subtieler kan de beweging zijn om het viltproces op gang te brengen en te houden.
In de rietmat zal het overtollige water gemakkelijk uit het vilt wegstromen. Dat is tegelijk het nadeel van de rietmat want de wol moet niet te droog worden omdat het viltproces dan langzamer gaat.
Bij noppenfolie is het precies andersom. Een voordeel van noppenfolie is dat je het gemakkelijk in alle maten kunt knippen en  door plakken op maat kunt maken. Bovendien kan het in de wasmachine en dan is het weer schoon. Om er voor te zorgen dat niet alle water uit het vilt (de wol) wegzakt, gebruiken we zeep. Een schuimende zeep voldoet het beste. Het schuim houdt het water vast.
Als we de wol masseren, duwen we het schuin op zij en zorgen we ervoor dat de wolharen elkaar raken. Bij het krimpen door middel van gooien of vallen wordt het schuim niet weggedrukt en vertraagt een teveel aan schuim het krimpen. Want schuim is lucht en dus ruimte tussen de wolharen.
Zeep heeft net als temperatuur in meer of mindere mate invloed op de wolhaartjes. De schubjes kunnen er meer door naar buiten gaan staan zodat de wol beter haakt. De zeep maakt een ruw oppervlak echter ook gladder en dat betekent dat de schubjes minder weerstand ondervinden en dus gemakkelijker langs elkaar glijden Als we rechtstreeks met de handen op de wol wrijven in het begin van het viltproces, maken we gebruik van deze eigenschap van zeep zodat niet alle vezels aan onze handen blijven hangen. Het valt niet aan te geven hoeveel zeep u moet gebruiken. U zult door eigen ervaring moeten vaststellen wat voor u en uw wol de juiste doseringen zijn. Het komt er dus op aan om goed bij te houden wat u doet en of dat ook effect heeft. Met andere woorden: 'Wat doet wat u doet?' en 'Doet, wat u doet, wat?'   
Zeep heeft een enigszins klevend effect en in bepaalde gevallen maakt u daar gebruik van. Het gevolg kan zijn dat er dan ook meer schuim ontstaat waardoor het viltproces minder snel gaat maar dat neem ik dan op de koop toe omdat ik met minder zeep niet bereik wat ik wil.

Hechten en krimpen

In het viltproces onderscheiden we twee fasen.
De eerste en heel belangrijke fase is de verbindingsfase of hechtingsfase. Deze fase levert de meeste problemen op. Wanneer viltwerk van een ander wordt bekeken en je snapt niet hoe het is gedaan dan gaat het om de verbindingsfase. Je krijgt dan vragen als: 'Heb je het erop gelijmd?', of  'Hoe heb je het vast gekregen?'. In de cursus levert het wanhopige uitroepen op:  'het zit allemaal nog los!'
Heel belangrijk in deze fase is de beweging en in mindere mate de hoeveelheid water en zeep. Water is er niet gauw te veel. Het te veel stroomt wel weg.  Als er teveel zeep is wordt het viltproces vertraagd. Doe er wat water bij, dat verdunt de zeep. Teveel zeep maakt dat de vezels op het schuim gaan drijven, de vezels maken minder contact met elkaar. Het patroon gaat dan vervormen omdat er moeilijk een hechting tot stand komt. Het is uiterst belangrijk in deze fase, dat de materialen die het vilt moeten vormen op hun plaats blijven t.o.v. elkaar.  Als een deel door het bewegen t.o.v de rest verschuift, dus meer beweegt, zal er geen verbinding ontstaan. Zelfs als het wol is t.o.v. wol. De delen die gelijk bewegen, zullen aan elkaar hechten en niet aan die delen die niet of anders bewegen. Bij voorbeeld, als u wollen draden op uitgelegde wol legt en in de hechtingsfase de draden te erg beweegt, zal de wollen draad vervilten en de uitgelegde wol ook maar ze gaan geen verbinding aan. De draad vormt een verhoging op de wol en wordt heen en weer geduwd door een forse met druk uitgevoerde beweging. Kleine bewegingen en niet teveel druk en voldoende zeep houdt de draad op z'n plaats t.o.v. de wol. Wol en draad bewegen precies hetzelfde. Of u in cirkeltjes beweegt of heen en weer of zigzag is niet zo belangrijk, wel belangrijk is de druk die u uitoefent op het vilt en de grootte van de bewegingen. Grote bewegingen zorgen ervoor dat de oppervlaktevezels bij elkaar worden geschoven en dat het uitgelegde patroon verandert of verdwijnt.
Als u niet in staat bent om met subtiele lichte bewegingen een hechting tot stand te brengen, kunt u een dunne plastic folie over het vilt leggen. Maak het folie nat en zeep uw handen in zodat u gemakkelijk over het plastic glijdt. In het begin geen tot lichte druk, later wat meer.
Het wrijven is een goede manier om een hechting tot stand te brengen maar is voor een groot oppervlak niet efficiënt. Alleen waar u wrijft, gebeurt wat, dus bent u wel even bezig voor u alles hebt gehad. Het is efficiënter het vilt met het onderliggende noppenfolie of rietmat op te rollen en het daarna in de rol heen en weer te rollen.
Dit rollen doe ik met een geringe druk op de rol terwijl ik ervoor zorg dat de rol goed opgerold blijft. Door een wat vochtige handdoek om de rol te rollen lukt dat beter. 'Hoe lang moet ik rollen', vragen cursisten. 'Net zo lang dat het vastzit.' 'Ja, maar hoe lang is dat?' Daar kan ik geen antwoord op geven omdat iedereen anders rolt. U zult zelf moeten kijken hoe effectief u rolt en hoe u de tijd kunt bekorten door anders te rollen. U kunt met meer of minder druk rollen, met meer of minder zeep in het vilt rollen,  snelle en korte rolbewegingen maken of lange krachtige. U kunt werken met een slappe of een stevig opgerolde rol, met een koker, stok of pijp als kern. U zult de rol steeds een beetje moeten draaien anders worden alleen de onder- en de bovenkant van de rol gevilt. In een slap opgerolde rol zal het vilt gemakkelijk krimpen en wel in de richting waarin u rolt. Als de andere richting ook moet krimpen, moet u het vilt een kwartslag draaien en weer inrollen. In de rietmat zal een vilt sneller krimpen dan in noppenfolie. Het zal ook sneller krimpen in een slap opgerolde rol noppenfolie dan in een stevig opgerolde rol met een harde kern.
Alles wat u doet bij het vilten heeft gevolgen. Soms is het wat u wilt maar soms ook niet. In het laatste geval zult u dus iets moeten veranderen zodat het wel lukt. Wat bij het ene werkstuk wel lukt, kan in het andere werkstuk wel eens slecht uitpakken.  Je kunt zeggen - ik kan vilten. Maar dat wil niet zeggen dat je niets meer leert. Elke keer moet je weer opletten wat je doet en wat daar de effecten van zijn. Je kunt nuchter vaststellen dat een deel van de vezels, draden of stukjes stof niet vastzit. Beter is te gaan onderzoeken waarom het ene wel vast zit en het andere niet. Dat vraagt een secure observatie van de verschillen tussen waar het vast zit en waar niet: is het natter, meer of minder zeep, zat het in de kern van de rol of aan de buitenkant, etc. etc. Maar ook als alles goed is, moet je nagaan hoe en wat je hebt gedaan en je conclusies trekken en de volgende keer in praktijk brengen om er achter te komen dat je conclusies soms niet kloppen, maar hoe zit het dan wel??? Dat is een aanhoudend leerproces op technisch gebied maar ook beeldend. Als voorbeeld het volgende. In allerlei publicaties over vilten wordt geschreven dat je de wol kruiselings moet uitleggen. Je trekt plukjes wol uit het wollont en legt een laag in de ene richting en de volgende laag leg je er dwars op.  Wat is het effect daarvan? Kan ik aan het vilt zien hoe het is gelegd? Ik heb dat niet kunnen vaststellen. Er wordt ook vilt gemaakt van wol dat tot een vlies is gekaard. Voor de kwaliteit van het vilt is het kruiselings leggen kennelijk niet nodig. Hoe komt het dan dat 'iedereen' het er altijd over heeft. De verklaring is simpel. Als je bezig bent de tweede laag wol uit te leggen en je doet dat in dezelfde richting als de eerste laag, dan is het moeilijk vast te stellen tot waar je bent gekomen als je even bij je werk wordt weggeroepen. Dwars uitgelegd zie je meteen waar je verder moet.
Legt u alle wol in één richting dan heeft dat wel gevolgen voor de krimp en dus het formaat wat u overhoudt!

Hechten

Bij het vilten levert het tot stand brengen van de hechting de meeste problemen op. Soms kan het niet hechten leuke effecten opleveren. Dan wordt de herhaling van het niet hechten een probleem. Hoe is het gedaan. Hoe zorg ik er voor dat het niet aan elkaar vilt. Het is niet de bedoeling dat je de zaak achteraf lostrekt om losse delen te krijgen, dat is dubbel werk. Wol kan zich moeilijk verbinden met dicht geweven stoffen. Laat staan met plastic folies. Een stukje plastic tussen wol en chiffon  of tussen wol en lamslokken zorgt dat er geen hechting ontstaat. Een stukje organza tussen wol en chiffon zorgt ervoor dat de chiffon zich slechts gedeeltelijk hecht.  Open stoffen als chiffon, organza, batist of dunne pongé kunnen we meer of minder sluiten door ze in te smeren met een goed hechtende verfstof. Ik gebruik de dekkende stofverven van Schjernings. De open ruimtes in de stof worden opgevuld door deze plasticachtige verf. Bij het vilten ontstaat er geen hechting in tegenstelling tot de stof er omheen. Als we het vilt naderhand gaan krimpen zal het niet of slecht hechtende deel van de stof opbollen. Hoe meer de wol met de gehechte stof krimpt des te meer zal de niet gehechte stof opbollen. Hoe dunner de wol is uitgelegd des te groter zal de krimp zijn. Ook bijenwas kan bij deze techniek worden gebruikt. Het resultaat zal nog opvallender zijn als na het opbrengen van de was de stof voor het vilten in een verfbad wordt gedompeld met koudwaterverf (batikverf).  De met was ingesmeerde delen zullen niet aan de wol hechten. Als alles klaar is, strijkt u de was er uit.

Krimpen

Het krimpen van het vilt is een behandeling die eigenlijk niet mis kan gaan. Als het mis gaat betreft het in 9 van de 10 gevallen een te lang doorgevoerde krimp. Het werkstuk is dan z'n soepelheid kwijt of de wol heeft zich los gekrompen van de stof waaraan het was gehecht.
Om en een soepele stof en een forse krimp (30%-50% en meer) te bewerkstelligen is het nodig om de wol erg dun uit te leggen. Veelal wil men niet geloven dat het kan werken met zo weinig wol. De ongeduldigen zullen zeker vast stellen dat het niet gaat Ik raad u aan om er eens proeven mee te doen en te onder vinden hoe ver u kunt gaan. Tijdens het krimpen wordt de hechting steeds beter tussen de verschillende onderdelen van het vilt. Het krimpen wordt beïnvloed door de beweging die het vilt maakt. Het vilt krimp anders wanneer het over een wasbord wordt gerost of met de handen wordt gekneed of wanneer het valt en tuimelt in de wasdroger of wanneer u er mee gooit en smijt. Dit verschil in krimpen wordt vooral zichtbaar bij vilt gecombineerd met textiel. De wasdroger is speciaal voor mensen die geen geduld hebben om op de juiste krimp van het vilt te wachten. Zorg er in de wasdroger wel voor dat het vilt niet droog wordt en controleer het proces om de vijf minuten. Als het krimpen eenmaal op gang is gaat het snel.
Als je wol met pongé, zijde-organza of kunststof organza hebt  verbonden tot een vilt, loop je de kans dat de wol tijdens het krimpen zich lostrekt van de stof. Dat komt  omdat deze stoffen niet zo soepel zijn als chiffon. De stoffen wensen de wol niet te volgen. Als het vilt iets te droog wordt, verliest de wol de grip op deze stoffen. Het is zaak zulke werkstukken van voldoende water en zeep te voorzien tijdens het krimpen. Vooral zeep houdt de stof en de wol bij elkaar. Als de krimp goed op gang is gekomen, worden deze voorwaarden minder belangrijk. Bij zware stoffen als fluweel is het mogelijk dat de wol verder gaat krimpen terwijl de stof niet verder kan rimpelen. Als we dan verder gaan met bewegen zal de wol zich geheel of gedeeltelijk van de stof los krimpen. Dit los krimpen gebeurt vooral bij stevige stoffen.     


©2014 Hawar Google+ Facebook